Samen met de monniken God zoeken


Een persoonlijk verslag door Frank Teirlinck -

Van jongs af aan was ik gefascineerd door de abdij Affligem. Als twaalfjarige las ik dat die de oudst bewoonde abdij van de Nederlanden was en dat de hertogelijke familie van Brabant en koningin Aleidis van Engeland er begraven lagen. Na wat aandringen bij mijn vader  reden we voor een toeristisch bezoek naar Affligem. Veel was er niet te zien. Het koor van de neogotische kerk was ontmanteld met het oog op de afbraak ervan en alles zag er pover en stofferig uit. Affligem bleef me echter fascineren en elk jaar vond ik een reden om er terug te gaan.
Als 17-jarige fietste ik vroeg in de morgen naar Affligem om er het morgenofficie en de eucharistie te vieren. Ik was zodanig onder de indruk van het koorgebed dat mij een gevoel van geluk overviel. Na het officie durfde ik het aan te bellen aan de kloosterpoort. ‘Jongeman, kom binnen, hebt ge al gegeten?’, vroeg een stralende monnik. Spontaan antwoordde ik: ‘ Neen pater’, waarop hij mij meenam door de mysterieuze pandgang naar de refter. Hij gaf mij een plaats tussen de monniken. Nu zat ik daar in de stilte, te midden van de abdijgemeenschap, gefascineerd door het gebeuren. De pater kwam mij ophalen en vroeg wat hij voor mij kon doen. Ik bleef het antwoord schuldig en hij nodigde mij uit naar de portiersloge. Ondanks een grote drukte nam hij alle tijd om te luisteren naar een zoekende puber. Het bleek die dag het zilveren priesterjubileum te zijn van twee medebroeders en hij nodigde mij uit naar de plechtige eucharistieviering en de receptie. Na de eucharistieviering vertrok ik. De ontmoeting met die glimlachende monnik was voor mij een Christuservaring die mijn leven tot op vandaag heeft getekend.
Mijn besluit stond vast: ik kom hier een week doorbrengen om met de monniken te bidden en te werken.
Het jaar nadien nam ik trein en bus en ging ik te voet op weg naar de abdij, zingend met de woorden van de psalmist: ‘Hoe verblijd was ik toen zij mij zeiden, wij gaan op naar het huis van de Heer’.
De gastenpater gaf mij een cel en maakte mij wegwijs in het verloop van de gebedsdiensten. Ik voelde mij onmiddellijk thuis. Het viel mij op dat vader abt, naar wie ik enorm opkeek, dagelijks de kookpotten schrobde. Zo leerde ik op een spontane wijze de gemeenschap kennen: hartelijk, nederig en mannen van God. Ik hield vooral van de gebedsdiensten die mij tot rust brachten. Sindsdien ga ik jaarlijks op het einde van de zomervakantie enkele dagen naar de abdij. Het zijn dagen van gebed en vriendschap.
Ik worstelde in die tijd met de keuze monnik te worden maar toen ik Myriam, die later mijn vrouw werd,  leerde kennen wist ik met zekerheid dat ik geen monniksroeping had. Het was twee jaar nadat ik die wondere ontmoeting had met die monnik. Myriam studeerde godsdienstwetenschappen zoals ikzelf en nu en dan gingen wel  eens met de medestudenten op café waar ernstige gesprekken werden gevoerd.



Blijkbaar had Myriam al een gelijkaardige weg afgelegd als ikzelf. Zij kende de benedictinessen in Loppem. Ik nam haar mee naar ‘mijn’ abdij waar vader abt haar hartelijk ontving. Wij werden bevriend mzet elkaar vanuit een zelfde aanvoelen wat belangrijk was in het christelijk leven en nadien sloeg ook het vuur van de verliefdheid toe. Voortaan zouden we samen de zoektocht naar God, in het voetspoor van Sint-Benedictus, afleggen. We werden  na ons huwelijk, oblaat. Oblaten zijn christenen die zich door God geroepen voelen om vanuit de geest van de Regel van Benedictus het evangelie in hun leven gestalte te geven. Ze beleven dit in nauwe verbondenheid met een kloostergemeenschap waardoor de oblaten familie worden van de monniken.  De band met Affligem heeft een diep spoor getrokken door ons leven, naar elkaar toe en naar de gemeenschap van Affligem.

We zijn geboeid door het monastieke leven. In de abdij mogen we thuiskomen. Dankzij de liturgische vieringen en het gemeenschapsleven vinden we in Affligem de bron voor onze geestelijke zoektocht. Na de zondagvespers kunnen we met de monniken van gedachten wisselen zowel over het dagdagelijkse leven als over spirituele thema’s. Monniken zijn geen supermensen en het laatste wat ze willen is een geïdealiseerd beeld van hun leven schetsen.
Het koorgebed is een wezenlijk deel van het monniksleven. Je treedt in een traditie van bidden. In de abdij hebben we de psalmen leren bidden en smaken. Door het psalmgebed ben je in tijd en ruimte verbonden met talloze anderen.
Als gehuwde probeer je dit in het gezinsleven gestalte te geven. We hebben elk een gebedsregel, dat leerden we van een monnik: ‘Wees realistisch, kies wat haalbaar is en wees daar vooral trouw aan’. Myriam bidt bij het begin van haar dagtaak een psalm en leerde het Magnificat van buiten zodat ze het als het ware altijd bij haar heeft, zodat het gebed tot haar kan spreken. Ze neemt de tijd om Bijbelteksten en religieuze geschriften mediterend te lezen. ’s Morgens neem ik de tijd om een Bijbelse tekst te lezen en te bidden voor al diegenen die in de loop van de dag mijn levenspad zullen kruisen. ’s Avonds beoefen ik de lectio divina, geestelijke lectuur en bid een psalm gevolgd door Bijbellezing, stil gebed en het Salve Regina.
Telkens worden we in ons leven uitgedaagd om de benedictijnse spiritualiteit te integreren in ons dagelijks leven. Het zit in kleine dingen. Het zwijgen bijvoorbeeld. In de Regel staat: ‘ De tong heeft macht over leven en dood’. Voor ons betekent dit dat we op een bepaald ogenblik zwijgen over een probleem: we hebben erover gepraat - want communicatie is uiteraard heel belangrijk - maar dan zetten we er een punt achter. Dat hangt samen met de oproep tot barmhartigheid en verzoening. In de Regel lees je dat je voor zonsondergang moet verzoenen. Met wrok in zijn hart kan een mens immers niet leven en bidden.
Gastvrijheid proberen we ook te beleven. Als iemand aanbelt nemen we tijd voor die persoon. Onze keuze om sinds ons huwelijk zonder TV te leven schept ruimte om tijd te maken om uitgebreid na te praten met onze kinderen aan tafel. Myriam voorziet vaak in twee gerechten, zoals Benedictus voorschrijft: ‘Er moeten altijd twee gerechten zijn, zodat iemand die van het ene niet kan eten, zijn maaltijd kan doen met het andere.’ Nu onze kinderen uithuizig zijn vinden ze deze regel belangrijk wanneer ze op bezoek komen met hun partner.
We waarderen de mildheid van de Regel, die oogt streng maar telkens is er ruimte voor begrip.
Zelf vind ik het ‘ora et labora’ belangrijk. Als boekenwurm ontwijk ik meestal het praktische werk maar de Regel roept mij op daar bewuster mee om te gaan. Myriam wijst er mij op dat handenarbeid goed is voor een evenwichtig leven.
Als godsdienstleerkracht zijn de lessen benedictijns gekleurd en de leerlingen komen vlug te weten dat ik graag in een abdij vertoef. Enkele jaren geleden kon ik met een sterk gemotiveerde klas een monastiek project uitwerken in Affligem. Het werd een boeiende ervaring, zowel voor de leerlingen als voor de monniken.

Dikwijls wordt ons gevraagd: ‘Hoe staan jullie kinderen tegenover het benedictijns leven?’
Onze drie kinderen zijn sinds korte tijd het huis uit maar ze zijn van jongs af aan vertrouwd met het monastieke milieu en staan er positief tegenover. Toen ze jong waren werden ze gefascineerd door de zondagsvespers en het lof. Ooit hielden we ons hart vast toen onze kleine Pieter-Jan naar voren liep. De ceremoniaris nam hem bij de hand en Pieter-Jan ging rustig neerknielen met de misdienaars toen met het Heilig Sacrament de zegen werd gegeven. Er verscheen een glimlach op het gezicht van de monniken en Pieter-Jan is nog steeds gelegenheidsmisdienaar in Affligem. Jeroen en Pieter-Jan hielden ervan na de vespers rond te crossen met een oude fiets waar ze al eens een mediterende monnik deden schrikken door hem rakelings nabij te scheren. Dom Franciscus had steevast een chronometer in de hand om de competitie aan te wakkeren. Samen trokken ze naar de recreatiezaal om er op TV een voetbalwedstrijd of de Ronde van Frankrijk mee te volgen. Goedele trok naar het religieus centrum waar ze niet alleen mooie wenskaarten maar ook sympathieke monniken vond.
Bij het vieren van de plechtige professies van de jongeren en de jubilea van de ouderen waren ze alle drie misdienaar en tijdens de feestmaaltijd hielden ze een toespraak, werd er gemusiceerd en toneel gespeeld. Het zijn die kleine positieve ervaringen die hun dankbaar doen terugblikken op hun jeugd en ze weten dat ze in Affligem welkom blijven.

En de toekomst van de abdijgemeenschap? Affligem deelt het lot van de meeste Europese abdijen: vergrijzing, gebrek aan roepingen en de vrees dat dit wel zou kunnen leiden tot het einde van het benedictijne kloosterleven.
Het levenslange engagement schrikt jongeren af. Het zou voor jongeren boeiend zijn om enige tijd als monnik te kunnen leven. Jongeren hechten enorm veel waarde aan communicatie en aan een authentiek leven in gemeenschap.
Monniken en oblaten kunnen in deze crisistijd elkaar steunen en bemoedigen. Ze moeten vandaag hun religieus leven ernstig nemen en niet voortdurend piekeren over de toekomst of twijfelen aan hun roeping. Het is belangrijk dat ze in goede en kwade dagen leven volgens de geest van de Regel van Benedictus. Meer dan ooit heeft onze samenleving nood aan plaatsen van herbronning waar we God op het spoor kunnen komen.

‘Waarom ga je naar Affligem?’ is een vraag die mij dikwijls gesteld wordt door collega’s en vrienden.
Ze zijn ervan overtuigd dat het omwille van het bier is!
Ik ben gefascineerd door de geschiedenis van de abdij en van haar missie in Noord-Transvaal (Zuid-Afrika). Mgr. Fulgens nodigde mij uit naar Noord-Transvaal om de missie te leren kennen. Het werd een onvergetelijke gebeurtenis te mogen verblijven bij een missiebisschop en in de abdij van de zwarte medebroeders.
Door de jaren heen heb ik het vertrouwen gekregen van dom Wilfried, de archivaris. Hij moedigde mij aan om te publiceren over de Affligemse geschiedenis. Het archief en de bibliotheek zijn mijn geliefkoosde plaatsen. Zo werd ik tweede archivaris.
Abt Jan is ondertussen op rust maar als 93- jarige is hij nog heel helder en mee met zijn tijd; Hij is in de loop van de jaren mijn geestelijke vader en beste vriend geworden.
Myriam en ikzelf gaan graag om met alle monniken van Affligem, voor ons is het een tweede thuis geworden waar we meer dan waar ook onszelf kunnen zijn.
Maar uiteindelijk is de diepste reden: daar mocht ik Christus ervaren toen een glimlachende monnik mij als jonge Godzoeker ontving.
Toen die glimlachende monnik oud was en op sterven lag mocht ik van hem afscheid nemen in zijn cel. Hij kon nauwelijks nog bewegen en spreken maar hij glimlachte en sprak mijn naam uit. Ik vertelde hem dat ik dankzij hem Christus mocht leren kennen. Hij weende en zei: ‘Ik heb dat nooit geweten’. De ziekenbroeder sprak: ‘Ik was hongerig en gij hebt mij te eten gegeven, ik had dorst en gij hebt mij te drinken gegeven…’
Als ik een maand niet in Affligem ben geweest denk ik met Sint-Paulus: ‘ Ik verlang er vurig naar om bij u en met u de vertroosting te smaken van ons gemeenschappelijk geloof’.
Benedictus zegt ons: ‘In zijn goedheid toont de Heer ons de weg ten leven’.
Deze weg loopt voor ons via Affligem, de bron van ons christelijk leven. Ik hoop dat de bron van helder water zal blijven stromen na haar 950-jarig bestaan.

door Frank Teirlinck


Reacties

Populaire posts van deze blog

In memoriam Mgr. Fulgentius Le Roy OSB

Kaas- en wijnavond t.v.v. Jeugdheem Sint-Benedictus: 11 november vanaf 16 u.

Het Bisschoppenhuis, een beknopte geschiedenis